Bert Jan van Oel

bjvoel"IN MIJN DROMEN BEN IK EEN GROOTMEESTER"


Eén keer werd hij derde en maar liefst twee keer behaalde hij de tweede plaats in de interne competitie van HDT. Dat is geen slecht resultaat voor iemand die pas op latere leeftijd het schaken serieus aanpakte.

Bert-Jan van Oel leerde schaken van zijn opa toen hij ongeveer negen jaar oud was. Het was een hele fijne opa, want tijdens de vele schaakpartijtjes mocht Bert-Jan foute zetten gewoon terugnemen en won vervolgens meestal van zijn grootvader. Onder meer door deze aanpak ontwikkelde hij een eigenschap die sporters goed kunnen gebruiken: Niet tegen het verlies kunnen.

Bert-Jan: “Na een verlies zou ik het liefst met spullen willen gooien, maar dat wordt terecht nergens geaccepteerd. In gezelschap doe ik tegenwoordig heel sportief en laat ik mijn teleurstelling en woede niet blijken. Op de terugweg in de auto zit ik soms verschrikkelijk op mezelf te schelden. Met een terecht verlies kan ik leven, maar soms gaat het verschrikkelijk mis. Als jongetje tijdens het voetballen was ik ook al zo, tot jankens toe.”

Op 13-jarige leeftijd werd Bert-Jan lid van een schaakvereniging in zijn toenmalige woonplaats Castricum. Dat lidmaatschap duurde hooguit 3 weken, want na een paar zetten verloor hij meestal kansloos van de geroutineerde en vooral meedogenloze senioren. De schaaksport bleef hem wel interesseren, want hij bezocht in de daarop volgende jaren weleens het Hoogovens Schaaktoernooi en speelde partijen na uit de krant. Bert-Jan ontwikkelde zich later tot een uitstekende allround sportjournalist en op die manier kreeg hij toegang tot de allerbeste schakers van de wereld.

Bert-Jan: “Al die grote jongens heb ik destijds geïnterviewd, Kasparov, Karpov, Timman, Anand, noem ze maar op. In de perszaal werd veel geanalyseerd, ik heb daar veel van opgestoken. Het was een hele leuke tijd, ik heb toen een keer van Hans Böhm gewonnen met biljarten! Dat vond hij helemaal niet leuk… Door de enorme bezuinigingen in de krantenwereld schrijf ik helaas nog maar zelden over het schaken, dat is erg jammer.”

Nog steeds was Bert-Jan geen actieve schaakspeler, totdat Herman Blaauw hem tijdens het uitlaten van de hond wist te interesseren voor een vrijblijvend bezoek aan HDT. Zijn eerste partij tegen Hans v.d.Molen eindigde in winst en de tweede partij tegen André Hilhorst werd een remise. Op die manier kreeg hij de smaak te pakken en is tot op de dag van vandaag een gewaardeerd lid van onze mooie vereniging.

Bert-Jan: “Ik vind mezelf een hele slechte schaker, er zijn te veel pieken en dalen. Om goed te schaken moet ik lekker in mijn vel zitten. Dan ben ik meteen rustiger en kom ik beter in mijn spel. Vaak heb ik die rust niet en ga ik lopen en een beetje rondkijken, dat is niet goed voor mijn concentratie. Soms ben ik te ongeduldig en zet ik te snel, dat heeft dan vaak desastreuze gevolgen. Extern speel ik slechter dan intern. Ik ben te zenuwachtig, te bang om te verliezen. Ik wil presteren in het team, ik wil mijn ploeggenoten niet teleurstellen. Bovendien ken je de tegenstander niet, je weet niet wat je tegenover je hebt zitten. Ik kan daar slecht tegen.”

Bert-Jan heeft de ambitie om kampioen te worden van HDT, maar acht de kans op een kampioenschap niet realistisch. Volgens hem zijn er zeker drie spelers die hij beter acht dan zichzelf. Van Jacob Eek heeft hij de grootste dunk: “Jacob is uit het beste schaakhout gesneden, ik heb bewondering voor hem. Hij is erg stabiel, zelfs tegen de grootste prutsers gaat hij voluit. Hij neemt iedereen serieus, daardoor is hij ook altijd lang bezig met een partij. Het is moeilijk om zwakheden in zijn stellingen te vinden. Kees is in aanleg misschien beter dan Jacob, maar hij houdt misschien iets te veel van avontuur en risico’s. Mijn spel lijkt trouwens wel een beetje op dat van Kees.”

De mooiste partij van Bert-Jan tot nu toe was een merkwaardige en ook gedenkwaardige remise tegen Dirk-Jan Olthoff. Deze remise werd veroorzaakt door een dolle toren. Een dolle toren wil graag genomen worden, maar als de tegenstander dit doet is het ook meteen pat. Bert-Jan had al eens een artikeltje van Tim Krabbé gelezen over dit mooie fenomeen, nu bracht hij het zelf in de praktijk: “Ik offerde een pion en tot Dirk-Jan’s verbazing bood ik ook nog eens een toren aan en bleef maar aandringen. Hoewel ik behoorlijk achter stond werd het dus een prachtige remise.”

Bert-Jan is op dit moment druk aan het sleutelen aan zijn openingsrepertoire: “Met zwart heb ik erg lang Scandinavisch gespeeld, maar daar ga ik vanaf stappen. Ik overweeg me te specialiseren in het Budapester gambiet of Russisch. Spaans is te bekend voor de meesten.”

Met wit speelt hij altijd e4 en als ik doorvraag naar mogelijke varianten, krijg ik een defensief antwoord: “Daar wil ik niet te veel over zeggen, de concurrentie leest namelijk mee. Ik kan alleen maar melden dat het belangrijk is om vast te houden aan je eigen repertoire.”

Bert-Jan is erg te spreken over HDT: “Ik vind het een ontzettend leuke club met heel aardige mensen. Het is ook exact de club voor mijn niveau, ik kan leuk meedraaien. We zijn de laatste tijd ook sterker geworden door de komst van spelers zoals Burg, Ron en Pascal. Op de lange termijn ben ik somber over de toekomst van het schaken. Door de vergrijzing gaat het uiteindelijk mis met schaken als clubsport. We moeten wel proberen zo lang mogelijk zelfstandig te blijven, want onze club is te gezellig voor een fusie”

Schaken is meer dan een passie voor Bert-Jan en dat blijkt uit deze ontboezeming: “De meeste mannen dromen ervan topscorer te zijn bij een grote voetbalclub als Ajax. In mijn dromen ben ik een internationaal grootmeester die alle grote schaaktoernooien afwerkt.”

Bob Kat