Hans van der Molen

hvdmolenDeze serie wordt voortgezet met een aflevering over onze secretaris Hans van der Molen. Deze in 1944 in Huizen geboren en in Blaricum woonachtige schaker geniet al enige jaren van zijn welverdiende pensioen, maar brengt zijn dagen niet achter de geraniums door.

Ooit studeerde hij af in de wis- en natuurkunde en gaf jarenlang met veel plezier les op Havo-VWO in deze vakken. Op dit moment volgt hij zogenaamde Hovo-cursussen, dat zijn universitaire cursussen voor ouderen over tal van onderwerpen, zoals filosofie, kunst, literatuur en geschiedenis. Thuis verdiept hij zich verder in deze materie en zit vaak met zijn neus in de boeken.

Je kan Hans ook een paar maal per week aantreffen op de sportschool, waar hij keihard werkt aan zijn lichamelijke conditie. Een voorwaarde om te kunnen presteren in de schaaksport, zo vindt hij.

Met deze schaaksport maakte Hans op 12-jarige leeftijd kennis, nadat zijn vader met papier en karton een heus schaakspel in elkaar had geknutseld. Hij werd lid van de Huizer Schaakvereniging om er na een paar jaar weer de brui aan te geven. In 1983 zocht Hans een schaakvereniging voor zijn zoon Guido. In Blaricum was geen club beschikbaar, en zo kwam Hans in contact met HDT en werd ook lid.

Hans: “Op de eerste avond moest ik wel een beetje schrikken, want toen ontstond er bijna een vechtpartij tussen twee leden van de club. Gelukkig was dit een eenmalig incident, onze club heeft verder altijd een goede sfeer gehad. Ik ben zelf 12 jaar lang voorzitter geweest.

Met schaakboeken zal je Hans niet vaak aantreffen, toch heeft hij het voornemen om zich de komende tijd te gaan verdiepen in de schaaktheorie. Hans heeft de laatste jaren steeds meegedaan met de schaaktraining in het onderkomen van de gastvrije Joop Engel, maar helaas hebben deze inspanningen het schaakniveau niet opgekrikt. Ooit bezette hij een vaste plek bij de top van HDT, inmiddels moet Hans het doen met een positie in de staart van het peloton.

Hans: “Dit heeft allemaal te maken met een verlies aan concentratie, hierdoor maak ik teveel blunders en daardoor verlies ik vaak. In 1987 werd ik nog onbetwist kampioen van HDT, maar dat was een eenmalige uitschieter. Ik won opeens van iedereen, zelfs van Ger Oosterman die er toen doodziek van was. Kampioen word ik nooit meer, het is wel mijn streven om weer bij de eerste vijf te gaan eindigen”.

Bijna iedere schaker kent een bepaalde tegenstander waar hij het liefste met een boog omheen loopt: de Angstgegner. Hans kan geen enkele clubgenoot aanwijzen die hem angst inboezemt, ook Joop Leeuwenkamp jaagt hem geen schrik aan.

Hans: “Als zwartspeler ben ik alleen maar bang voor e4. Daar heb ik een ontzettende hekel aan. Ik heb daar nooit een goed antwoord op, maar de komende tijd ga ik me eens beter verdiepen in deze opening. Als ik wit heb begin ik altijd met d4, dat bevalt me nog steeds goed”.

Op mijn vraag wat Hans eigenlijk zo interessant vindt aan het schaken antwoordt hij: “Schaken is een fijne intellectuele bezigheid. Je moet je verdiepen in de tegenstander, je moet strategisch denken en er zijn oneindig veel mogelijkheden in het spel. Soms komt de tegenstander onverwacht raar uit de hoek, dan zat hij kennelijk op een heel ander spoor. Dat vind ik erg boeiend”.

Twee jaar geleden deed de club een beroep op Hans om secretaris van HDT te worden hij vond het zijn dure plicht om in te gaan op dit voorstel.

Hans: ”Het is allemaal goed te doen en de sfeer binnen het bestuur is erg prettig. Er moet goed nagedacht worden over de toekomst van de club. HDT verjongt wel, maar per saldo vergrijst het. De jeugd blijft afhaken op een bepaalde leeftijd. Hoe los je dat op? Ik vind het een goede zaak dat de jeugd nu ook in het gebouw van de senioren gaat schaken. Tot nu toe drijft alles grotendeels op Joop, Frits en Ron. Waarschijnlijk vergroot de verhuizing de onderlinge samenhang tussen de senioren en de jeugd”.

Over de toekomst van de schaaksport in het algemeen heeft Hans ook een mening: “Ondanks de opkomst van de computer zal het schaken nooit verdwijnen, daarvoor is deze sport te mooi”.

 

Bob Kat