Jacob vd Sluis

jvdsluisMijn eerste kennismaking met de naam J. v.d. Sluis was ongeveer 30 jaar geleden tijdens mijn baan als werkstudent bij de Nederlandse Unie van Opticiens. Ik zat de hele dag achter een reusachtige Adler schrijfmachine waarop ik taken verrichtte die inmiddels door computers zijn overgenomen. De Unie had 900 leden, en als er mededelingen verstuurd werden, dan moest ik handmatig 900 enveloppen voorzien van naam en adres, waaronder die van Jacob van der Sluis, die destijds een succesvol optiekbedrijf in Amsterdam-Zuid had. Natuurlijk realiseerde ik mij niet dat ik jaren later met hem op een schaakclub in Eemnes zou zitten. Maar ik verbind zijn naam nog steeds aan die enorme stapels bruine enveloppen, die ik ook nog moest frankeren en wegbrengen.

13 jaar geleden heeft Jacob zich terug getrokken uit de optiekbranche en geniet hij hij nu volop van het leven in zijn prachtige huis in Laren, tevens de locatie van dit vraaggeprek.
In de gezellige huiskamer heeft Jacob zijn eigen hoekje waar een prominente plek is ingeruimd voor een fors schaakspel. Vanuit zijn stoel is er zicht op een fraaie en goed onderhouden tuin die rust uitstraalt. Op deze plek worden de op de club gespeelde partijen geanalyseerd, en vaak zijn dat gewonnen partijen, want Jacob is een gevreesde tegenstander…

Hoe ben je in aanraking gekomen met de schaaksport?

Jacob:“Toen ik 13 jaar oud was kreeg ik schaakles van meester Bouwman op de Mulo in Amsterdam-Noord. Zijn devies was: paarden eruit, en lopers eruit en de man had gelijk! Vervolgens werd ik lid van een schaakclub, maar dat heeft slechts 3 maanden geduurd, want toen had ik al weinig vrije tijd. Mijn jeugd heeft steeds in het teken van de oorlog gestaan, tijdens een bombardement zijn 2 broers van mij om het leven gekomen. Dat laat zijn sporen na.
Soms ging ik naar het schaakcafé aan het Leidseplein om een potje te spelen, maar ik vond pas echt tijd om te schaken nadat ik stopte met werken.”

In Laren is ook een schaakclub, waarom ben je lid geworden van HDT?

Jacob: “In Laren was de vrijdag de clubavond en dat kwam niet goed uit.
Er zaten ook een paar types met een aardappel in de keel en dat beviel mij niet zo. Kortom, de sfeer vond ik niet prettig, dus besloot ik mij aan te melden in Eemnes. Daar kwam alles als een warme deken om me heen en dat is nog steeds zo.”

Wat ben je eigenlijk voor een schaker, en welke tegenstander vrees je het meest?

Jacob: “In het schaken zie je het karakter van de speler terug. Ik speel altijd aanvallend, wat er ook gebeurt. Joop Leeuwenkamp typeerde het eens door te zeggen dat ik altijd meteen de vijandelijke koning opzoek.
Ik win heel graag, maar lig gelukkig niet wakker van een verloren partij zoals Joop. Ik ken maar één opening met wit, en dat is e4, zelfs tegen Paul. Ik ken geen Angstgegner, maar als ik er één moet noemen dan is dat André. Die speelt dat andere spel, het spel uit het boekje. Dat beheerst hij aardig, maar ik kijk niet tegen hem op. Het liefst tref ik de top-3, Kees, Jacob en Dirk-Jan. Aan hun niveau probeer ik me op te trekken, maar zo rond de 28e zet krijg ik het meestal moeilijk tegen ze.
Ik heb overigens niet het idee dat mijn niveau verbeterd is in de afgelopen 13 jaar HDT.”

Maar je gaat toch niet beweren dat niets hebt geleerd in die periode?

Jacob: “Ik leer nog iedere dag, zelfs van kinderen. Er zijn mensen die alles zó goed weten, eigenlijk weten ze niets… Wat ik zeker heb geleerd dat is het goed indelen van een partij in tijd. Ik houd er een bepaald schema op na om niet in tijdnood te komen.
En ik wil namelijk graag op een bepaald tijdstip thuis zijn.
Als ik me goed voel en op tijd begin, dan gaat het meestal wel goed.
Ik kan trouwens geen geluiden verdragen tijdens het schaken, mijn concentratie wordt dan verstoord en dan doe ik meteen de verkeerde zetten. Ik kan dan wel eens tekeer gaan, maar dat moet men niet verkeerd opvatten. Als je door de één of andere oorzaak verliest, dan is er in mijn ogen geen excuus mogelijk. Dan heb je het zelf veroorzaakt, dan heb je niet goed genoeg gespeeld.
Ik ben iemand die altijd blijft zitten tijdens het schaken, ooit ergerde ik mij aan Dirk-Jan die alsmaar opstond tijdens een partij met mij. Ik vroeg hem toen te blijven zitten, hetgeen deze zeer vriendelijke man toen ook deed. Achteraf vond ik dat een heel onredelijk verzoek van mijzelf, en heb ik daar ook iets van geleerd.”

Welke partijen vergeet je nooit meer?

“Mm, die weet ik niet zo snel op te noemen. Ja, ik herinner me wel een partij tegen Joop Leeuwenkamp die zeer goed voor mij afliep. Ik offerde een dame die hij nam zonder de consequenties te overzien. Even later ging hij mat door mijn 2 torens. Ik speel trouwens mijn gewonnen partijen veel liever na de verloren partijen.”


Welke interesses heb je naast het schaken?

“Ik vind het heel leuk om mijn eigen tuin bij te houden. Nu is het eenmaal zo, dat ik hier een grondoppervlakte van 2400 m2 heb, en toch lukt het allemaal nog. Mijn buurman doet het zware snoeiwerk, en ik heb nu de beschikking over een motormaaier en een bladzuiger. Op deze manier gaat het allemaal een stuk gemakkelijker.
Ik ben vroeger bewust christelijk opgevoed, maar niet al te kerkelijk. Nog steeds ben ik geïnteresseerd in de godsdienstfilosofie, en houd me bezig met vraagstukken over dogma’s e.d. Men zegt wel eens dat Jezus gestorven is voor de zonde van de mensen. Welnu, dat is helemaal niet waar, dat is gewoon verzonnen. Ik respecteer iedere hindoe of moslim, als het maar een mens is.
Ik kom ook uit een socialistisch nest, en stem nog steeds op de PvdA, hoewel die Balkenende van het CDA het ook prima doet. Mij kan je dus het beste omschrijven als een christen-socialist. Een goede christen kan in mijn ogen ook alleen maar een socialist zijn.”

Hoe gaat het met de gezondheid?

“Met de gezondheid gaat het weer een stuk beter, hoewel ik moet leren leven met een fistel. Gelukkig is het geen stoma geworden, want daar zag het even naar uit. De club heeft tijdens mijn ziekte trouwens fantastisch met mij meegeleefd. Zelfs nog meer dan de kerk, en dat zegt wel wat. Ik hoop nog heel lang te kunnen blijven spelen in deze mooie schaakclub.”


Bob Kat