Peter Somers

psomersOp donderdagavond komen we graag allemaal bij elkaar om een potje te schaken. Met gekromde ruggen doen wij dan ons uiter­ste best om de tegenstander te verslaan. Dit proces vereist volle­dige concentratie en toewijding. Tijdens zo’n partij hebben wij dan ook absoluut geen tijd voor iets anders dan het schaken zelf. Na de partij wordt er geanalyseerd, een vluggertje gespeeld en nog wat nagepraat. Hierdoor is er eigenlijk weinig gelegenheid om de medeclubleden wat beter te leren kennen. Soms vraag je je af wat de achtergronden zijn van een persoon; hoe het toch komt dat hij altijd zo sterk speelt, wat voor een beroep hij uit­oefent, wat zijn drijfveren zijn, etc. Ik denk dat er meer cluble­den zijn die behoefte hebben aan dit soort informatie.


Om een antwoord te geven op deze vragen, heb ik het initiatief genomen om telkens een lid te interviewen in de serie: “De mens achter de schaker” Deze serie wordt gestart met niemand min­der dan onze eminente voorzitter: Peter Somers.


Op een druilerige zondagmiddag betreed ik het gezellige huis van de familie Somers. Ik word hartelijk verwelkomd door Peter en zijn vrouw Mary. Er wordt thee ingeschonken, en dat biedt mij de gelegenheid eens goed om mij heen te kijken. Wat mij onmiddellijk opvalt, is de grote hoeveelheid boeken die de huis­kamer vult. Veel kunstboeken, maar een nadere blik leert mij ook dat er nogal wat schaakboeken bij staan. Op mijn vraag hoeveel schaakboeken Peter eigenlijk in bezit heeft, antwoordt hij het niet precies te weten, maar schat het op 70 stuks, die voornamelijk de openingstheorie behandelen. En zo belanden wij bij onze gezamenlijke hobby, de mooie schaaksport.


“Ik kom uit een echte schaakfamilie”, zegt Peter. “Mijn vader, mijn broers, mijn ooms, ze schaakten eigenlijk allemaal. Als 5- of 6-jarige ben ik ermee begonnen en ermee doorgegaan tot mijn puberteit, want toen kreeg ik andere soorten belangstel­ling. Daarna heb ik sporadisch geschaakt, met een vriend en zo, in ieder geval in los verband. Eigenlijk had ik ongeveer 35 jaar niet meer serieus geschaakt, voordat ik lid werd van ‘Het Dikke Torentje’, dat overigens mijn allereerste schaakclub is”.


Op mijn vraag wat Peter in het dagelijks leven doet, vertelt hij mij dat hij werkzaam is bij het Riagg als psycholoog in de functie van leidinggevend hoofd. “Ik gebruik mijn vak niet bij het scha­ken, want ik denk dat schaken een apart proces is, dat weinig samenhang heeft met andere processen”, het houdt wel de hersentjes bezig”, lacht hij.


Ik vraag hem waarom hij schaken belangrijk vindt. Peter: “Je kunt allerlei theorieën bedenken, zoals: het is goed voor de aandacht, voor de concentratie, de beheersing, het sociale ge­drag enzovoort. Ik vraag me toch af of er een goede verklaring voor is. Ik ben ooit gaan schaken, omdat ik het leuk vond. En misschien is het wel gewoon een verslaving. Aan de andere kant, je wordt ouder, en dan is er sprake van een dalende le­venslijn. In bepaalde boekjes daarover staat dat je je hersens actief moet houden, belangstelling moet houden, en sociaal moet blijven.” Peter peinst even, en zegt: “Misschien is dat ook niet de echte reden, ik geloof ook niet in redenen.” Hier ontdekken wij de filosoof in Peter. Filosofie is een grote hobby van hem, en hij leest er vele boeken over.
“Eigenlijk denk ik chronisch na over alles, van logica tot maat­schappij, ethiek, esthetiek, waarheid, noem maar op”, zegt hij.


“Wat je mijn motto kan noemen, is dat ik er steeds minder van uit ga, dat er waarheid is. We weten niet waar de wereld mee bezig is, we weten niet of er een externe factor is, waardoor de wereld is, zoals ze is.”


Terwijl Peter 2 bierflesjes opent, vraag ik hem welke ambities hij in het schaken heeft. Hij lacht even, en antwoordt: “Ik wil wel scoren ja, maar het lukt niet zo best. Dat komt doordat ik te wisselvallig speel. Ik heb daar eigenlijk geen verklaring voor. Wat ik wel merk, is dat het niveau van schaken bepaald wordt door de hoeveelheid stress op het werk. Als ik een echt drukke dag heb, en er zijn ook problemen, dan merk je ‘s avonds dat je de goede zet niet doet.” Hierbij kijkt Peter een beetje zorgelijk en vraag ik hem of hij misschien ook een z.g. ‘Angstgegner’ heeft. Hij denkt even diep na, neemt een slokje bier en zegt: “Joop Leeuwenkamp, dat is mijn ‘Angstgegner’. Het is me een keer gelukt om van hem te winnen hoor, maar die heeft toch altijd van die zetten...! Bij een aantal mensen is het wel duide­lijk, bij Jacob Eek weet je dat het een ramp wordt, die speelt gewoon beter. Bij Joop weet je het nog minder zeker, ik vind dat hij op de een of andere manier erg goed is in positie- of combinatiespel”.


Op mijn vraag of Peter vindt dat er nog groei in zijn schaakpres­taties kan zitten zegt hij: “Ik denk dat ik nog wel iets beter kan worden, maar ik denk toch dat ik ergens in de middenmoot thuis hoor. En die wisselende prestaties van mij, dat is echt een heel ingewikkeld proces!”


Praten maakt dorstig, en we nemen nog een biertje. Ik vraag Peter wat hij nou het liefste speelt, zwart of wit, en met welke openingen. “In het begin speelde ik modern, het liefst met zwart dus. Dan kan je mooi vanuit de diagonalen pijlen afschieten op het centrum. Ik heb nu een vast verhaal: met wit de Trompow­sky! Omdat de naam zo leuk is bestudeer ik de opening. Ik vind hem ook heel aardig, want hij geeft vanaf het begin een hoop rotzooi. Maar, als het dan heel ingewikkeld wordt, dan moet ik toch langer nadenken en dan valt de vlag ....”
Ik ben benieuwd of Peter trucs gebruikt om zijn opponent te misleiden, per slot van rekening is hij psycholoog! Hij glimlacht even, en zegt: “Nou dat doe ik wel eens hoor. Kijk als ik aanval op de koningsvleugel en het verloopt niet voorspoedig, dan ga ik plotseling op de damevleugel kijken. Of als ik me bedreigd voel op de koningsvleugel, dan ga ik soms expres op de damevleugel kijken. Dat soort dingen doe ik wel! Maar ik ga niet bewust zit­ten bedenken hoe ik mijn tegenstander psychologisch ga zitten beïnvloeden.”


Ik vraag Peter wat hij eigenlijk vindt van ‘Het Dikke Torentje’ als schaakclub. Hij tuurt even zwijgend in zijn winterse tuin en zegt: “We hebben nu 18 seniorleden, en we zouden er eigenlijk wat meer moeten hebben, zodat je wat meer variatie hebt. We worden er ook niet jonger op. 25 leden, dat zou mooi zijn. We hebben dan wel veel jeugdleden, maar die haken vaak af, dat heb ik zelf ook gedaan. Verder vind ik onze club een heel ge­moedelijke club, en dat is zoveel waard. Elke donderdagavond is voor mij een hoogtepunt in de week. Ik maak mij op mijn werk om dingen veel minder druk dan om het schaken. Eigenlijk zou dat andersom moeten zijn, want op het werk gaat het om echte beslissingen.”
Tot slot vraag ik Peter wat hij voelt als hij een partij verloren heeft. “Kijk, als je verliest doordat je tegenstander een goede zet doet, waardoor je van tafel geveegd wordt, daar heb ik he­lemaal geen moeite mee. Als je de boot in gaat door eigen ver­keerde beslissingen, dat neem ik mezelf echt kwalijk. Ik lig er niet wakker van, maar het beïnvloedt wel mijn gemoedstoe­stand, omdat ik me daar vreselijk over kan opwinden”.


Al mijn vragen zijn beantwoord, en Peter nodigt mij uit voor een vluggertje. Wij loten om de kleur, en ik krijg zwart. Peter krijgt de bekende fanatieke blik in de ogen, en opent in een razend­snel tempo met zijn gevreesde Trompowsky!


Bob Kat